Heidertjedei

Laatst opperde ik dat collega P – die maar niet antwoordde in onze groepsapp – waarschijnlijk op heidertjedei was. Collega C riep direct ‘boomer’ (haar geliefkoosde uitdrukking voor Collega P en mij) en vroeg wat dat dan precies zou zijn, dat heidertjedei. “Weet jij dat niet?” vroeg ik verontwaardigd. Ervan overtuigd dat iedereen deze uitdrukking kent, was ik daarna extra verbaasd dat mede-boomer P ook geen idee had.

Mijn moeder ging vroeger regelmatig op heidertjedei. Het betekent zoiets als met vriendinnen de hort op. Ze kwam altijd uitermate tevreden en vrolijk thuis van zo’n dagje boemelen en ik nam mij als kind voor om later ook veelvuldig op heidertjedei te gaan.

Ik vroeg mijn zus of zij wist waar heidertjedei vandaan komt, maar zij dacht eigenlijk ook dat het een gewone, Nederlandse uitdrukking was. “Misschien is het Brabants?” opperde zij nog. Dat zou kunnen, want onze moeder is in Roosendaal opgegroeid. Of misschien toch een Vlaardings familiewoord?

Onze Taal moest uitkomst brengen. Ik stelde mijn vraag en kreeg een dag later al een teleurstellend antwoord. “Helaas hebben we niets over ‘heidertjedei’ kunnen vinden. We vermoeden dat het familietaal is, een uitdrukking die alleen in kleine kring gebruikt werd; het is ons niet gelukt om iets te vinden wat erop lijkt.”

Familietaal dus en met uitsterven bedreigd door gebrek aan nakomelingen bij zus en mij. Gelukkig heb ik collega C bereid gevonden om de uitdrukking op haar kinderen over te dragen. En aangezien zij vaak en uitgebreid op heidertjedei gaat, zal dat vast wel lukken!

Nieuwe bewoner in de straat

Onze straat is bijzonder katrijk. Niet alleen de leukste en liefste kat van de wereld (juist, Ouranos) woont er, maar we hebben ook Bram & Pip, hij een stoere rode kater en zij een ieniemie poesjes. Als kittens holden ze al achter elkaar aan door de straat en dat is nooit veranderd. Regelmatig hou ik mijn hart vast als er weer een auto nogal snel aan komt rijden, maar zowel Pip als Bram zijn streetwise genoeg om op tijd opzij te gaan. In de afgelopen jaren zijn ze ook iets bedaarder geworden, maar nog even dol op elkaar. Ze wonen niet in hetzelfde huis, maar ze latten uit overtuiging dat het dan leuker blijft.

Dan hebben we nog Carlotta, een fronsend schildpadpoesje. Het leed van de hele wereld lijkt op haar schouders te drukken. Ouranos was vroeger met haar evenbeeld Belle getrouwd. Jammer genoeg is Carlotta te jong voor hem, want Ouranos valt wel op sombere, tobberige dames.

Verderop in de straat wonen nog veel meer katten, maar die ken ik niet allemaal bij naam. Laatst zag ik dat er weer een straatgenoot bij is gekomen. Ook nog geen naam van bekend. Maar ik vind het wel een schatje.

Covid

Nog maar net weer op gang komt ons sociale leven alweer piepend en krakend tot stilstand. Na ruim twee jaar is Pieter dan toch besmet. Gevaccineerd en geboosterd heeft hij gelukkig weinig last. Het lijkt meer een flinke verkoudheid dan influenza. Maar hij is wel aan huis gebonden, dus onze balletvoorstelling en het concert van Patrick Bruel hebben we maar even uitgesteld en afgezegd 🥲.

Zelf voel ik mij nog kiplekker, maar doe met het oog op onze kwetsbare medemens maar weer een mondkapje op in de winkel. Pieter is zelf waarschijnlijk ook besmet door iemand zonder symptomen. Dus beter safe then sorry.

Na-de-vakantieblues

Na twee heerlijke weken zonder wekker moest ik er gisteren weer aan geloven. Dat viel nog niet mee. Werken is een ding, maar het bijbehorende vroege opstaan is iets heel anders.

Mijn wekker is een muziekje. Normaal gesproken heb ik altijd elke dag een liedje over die desbetreffende dag. Op maandag is dat bijvoorbeeld ‘I Don’t Like Mondays’ van The Boomtown Rats. Maar na een vakantie zet ik de eerste week/weken meestal deze op:

Als ik op een gegeven moment terugkeer naar de dagdagelijkse liedjes, ben ik kennelijk weer aan het gewone werkleven gewend.

TomTom oude stijl

Vorige week was ik opeens grieperig en maakte dus een afspraak voor een coronatest. De testlokatie bij ons om de hoek was kennelijk volgepland voor de komende weken, maar ik kon in Rijswijk terecht. Ook prima. Op de fiets gewapend met Googlemaps ging ik op weg. Al snel reed ik achter een meisje dat ongeveer in mijn tempo fietste en ik bedacht dat zij hoogstwaarschijnlijk ook op weg was naar een coronatest in Rijswijk. Dat is al sinds jaar en dag mijn strategie als ik ergens naartoe ga waar ik nooit eerder was: iemand volgen met dezelfde bestemming en je hoeft nooit te verdwalen.

Ik ken eigenlijk maar één persoon die exact dezelfde strategie volgt en dat is (mogelijk niet toevallig) mijn zus. Ooit – in de jaren 80 vorige eeuw – gingen wij samen vanuit Leiden naar Putten om Oma op te halen die logeerde bij oom A en tante R. Putten was nog wel te vinden, maar de Drieseweg?? Gelukkig reed er al op de snelweg een vrachtwagen voor ons die ook naar tante R. op weg was, dat zagen wij direct. Zus zette de achtervolging in. Het ging een heel eind goed. Totdat de vrachtwagen ergens in Putten een nieuwbouwwijk in reed, parkeerde en de chauffeur kennelijk een dutje ging doen of zo. En het was duidelijk niet bij tante R en oom A voor de deur. Teleurgesteld reden wij door.

Uiteindelijk kwamen we toch op de Drieseweg en toen we voor de 3e keer langs een huis reden waar een mevrouw hartstochtelijk zwaaiend uit een keukenraam hing, herkenden wij onze tante. Wat een wonder dat oom en tante ons zonder blikken of blozen Oma mee teruggaven. Tante R gaf wel verdacht veel eten mee voor onderweg. Waarschijnlijk had ze er weinig vertrouwen in dat we Oma voor etenstijd weer thuis zouden afleveren.

Het was zeker niet de laatste keer dat ik ergens eindigde waar ik niet hoefde te zijn dankzij deze volgstrategie. Maar deze keer had mijn intuïtie mij niet bedrogen: het meisje op de fiets was inderdaad op weg naar een coronatest! Ik zette mijn fiets naast de hare, we waren tegelijk aan de beurt voor de test en ik kon rustig weer achter haar aan de wijk uitfietsen richting Delft. Superhandig! Alleen ben ik nu heel benieuwd of haar test ook negatief was. Maar dat zal ik helaas nooit weten.

5 november

Voor ons een speciale datum. 28 jaar geleden onze trouwdag. Het was zo’n zeldzame, prachtige novemberdag: strakblauwe hemel, de zon deed zijn uiterste best om een aangename wandeling mogelijk te maken van huis naar stadhuis naar Lutherse kerk.

Foto uit de oude doos, jammer van dat spuuglelijk busje….en je ziet het niet, maar het was echt een blauwe lucht.

Gisteren was het iets minder stralend, maar het kwam toch in de buurt van toen. In plaats van naar het stadhuis gingen we naar de opticien. Daar heb ik 3 uur van mijn leven verspild! Man man, ik was vergeten hoe lang het duurt om een bril aan te laten meten. Het uitkiezen van een montuur is niet zo heel veel werk. Gelukkig kan ik goed beslissen en ik denk dat het in 30 minuten gepiept was. De opticien is een man met smaak en met z’n drieën kwamen we vrij snel tot een eensluidend oordeel: ja, deze moet het worden. Het uitverkoren model kwam in toen verschillende kleuren, maar ook dat was redelijk snel een uitgemaakte zaak: paars.

Maar daarna komt eigenlijk het belangrijkste deel: de oogmeting. Eerst een tijdje wachten tot de oogmeetmijnheer beschikbaar was. Geeft niks, lekker kopje koffie met een macaron erbij! Wij komen de tijd wel door. Toen het oogmeten zelf. Daar kan ik wat moeilijker beslissen of het ene glaasje toch net een iets duidelijker beeld geeft of juist niet. Er werden niet alleen letters getest, maar ook bolletjes (vanwege de cilinder) en rood-groen cijfers en letters. Daarna nog opmeten voor het leesgedeelte én voor de beeldschermbril. Pfff, twee uur zijn inmiddels voorbijgegaan.

Maar we zijn er nog niet: 300 foto’s van alle kanten met een enorme stellage op m’n neus, daarna zogenaamd lezen op een iPad, echt elke millimeter van mijn oogbewegingen is nu geregistreerd. Volgt het uitkiezen van de glazen en het controleren van alle metingen. Hè hè, we zijn klaar: drie uur na binnenkomst.

Over twee weken moet het allemaal klaar zijn. Ik heb trouwens betere ogen gekregen in de afgelopen vier jaar 😀. Eindelijk iets minder min dan heel erg min. Ik kijk erg uit naar m’n nieuwe bril 🤓

Einde van de blogpauze

Collega A maakte mij erop attent dat het al bijna twee maanden stil is hier. Dat klopt, want mijn inspiratie was even helemaal op. Gek eigenlijk, want er mag weer veel meer en ik ben vaker op pad. Kennelijk was de schrijfader even verstopt. Eens kijken of het vanaf heden weer beter gaat.

Het wordt kouder, vooral ’s ochtends en ’s avonds, dus ik haalde mijn wintersloffen uit de mottenballen. Oh ja, dat is waar ook, dat zijn die halfhoge sloffen, blauw met zilverdraad. Werkelijk de prachtigste sloffen die ik ooit heb gehad. Zo ontzettend jammer dat ik allergisch ben voor het zilverdraad. Na een week had ik opgezwollen enkels waar een beetje hartfalenpatiënt jaloers op zou zijn (of eigenlijk juist niet) en kon ik de sloffen niet meer aan. Ik heb nog een tijdje eerst sokken aangetrokken en daaroverheen de sloffen, maar dat kost wel erg veel tijd.

De sloffen moeten dus vervangen worden en kunnen zo goed als nieuw naar de Kringloopwinkel. Gelukkig kreeg ik van een van mijn vele handwerkadresjes een plaatje voorgeschoteld van bijna net zo prachtige sloffen, maar dan zonder edelmetalen erin verwerkt. Om zelf te haken! Leuk! Ik heb meteen een pakket besteld. Daarvoor moesten beide voeten aan alle kanten opgemeten: niet alleen de lengte, maar ook de breedte, de wreefhoogte, de afstand tussen wreef en hiel, de omvang van de enkel (de niet-opgezwollen enkel) en de lengte van alle afzonderlijke tenen.

Er kwam een pakket binnen met vier stevige zolen zodat je met je nieuwe sloffen niet van de trap glijdt, bolletjes blauwe wol, haaknaald, twee borduurnaalden (geen idee wat ik daarmee moet), een klosje garen, een bruin voorgehaakt proeflapje en een patroon van 46 pagina’s 😳. Ik vond het al met al nogal intimiderend en ontmoedigend.

Maar hee, het is bijna weekeind, ik ga vandaag dat patroon maar eens lezen, een blauw proeflapje haken en wie weet, komt naast de bloginspiratie ook de haakinspiratie aangesneld.

Vijgensiroop

En nu even iets heel anders. Gisteren hadden we een soort rustdag om boodschappen te doen, het huis te kuisen en even bij te komen van het vakantievieren.

Om 17 uur zat ik even uit te puffen en ging de bel. Op de stoep stond een vrolijk jongmens met een ingepakte fles in zijn handen. Het leek een wijnfles en ik dacht: “Dat is vast een dankbare student.” Dus toen hij zei: “Ik heb een fles vijgensiroop voor Pieter B” paste dat prima in mijn plaatje. Ik riep Pieter erbij en vervolgens ging het jongmens vertellen dat hij de beste siroopimporteur van Nederland was. “Wat komen die studenten soms raar terecht” was mijn eerste gedachte, maar toen ik Pieter ook een beetje appelig zag kijken, begreep ik dat het geen bekende van hem was.

Inderdaad, de beste importeur van Nederland kwam gewoon een door Pieter bestelde fles vijgensiroop afleveren. Hij begon er een verhandeling van een kwartier bij over hoe je een lekker glas siroop maakt, niet te zoet en niet te laf, blablabla. En hoe we voortaan direct bij de beste siroopimporteur van Nederland konden bestellen in plaats van via bol.com.

Nu kun je mij nergens zo mee vervelen als met dat soort praatjes. Sinds ons verblijf in Frankrijk weet ik heel goed hoe je een lekkere siroop maakt en bovendien hebben wij twee kasten vol met diverse smaken. Dus hou alsjeblieft heel snel je klep over siropen mengen en hoe verkeerd de Fransen dat doen. Desalniettemin genoot ik ’s avonds van een heerlijk glaasje vijgensiroop 😀

Vaccinatie

Vandaag kreeg ik mijn eerste prik! Hieperdepiep. In de prikstraat in Rijswijk in de Broodfabriek. Het was prima georganiseerd, overal behulpzame mensen in gele hesjes die voortdurend vertelden waar je naartoe moest. De prikdame zette vastberaden de naald in mijn bovenarm, plakte een pleister en klaar was het. Zij leek zo sprekend op iemand uit mijn verleden, dat het bijna eng was. Ik keek nog eens goed, maar nee, zij was het niet. Maar ik was wel in een keer terug in het jaar 2000. En dacht aan Janny.

In 2000 studeerde ik filosofie, gewoon voor de lol. Maar omdat ik ook nog iets wilde doen voor het nut van het algemeen, had ik mij als vrijwilliger aangemeld bij een Delftse welzijnsorgansiatie. Ik werd coördinator vrijwilligers bij een project dat eenzame Delftenaren koppelde aan goedbedoelende vrijwilligers, waar overigens vaak een steekje aan los zat. Dat gold ook voor het bestuur van deze organisatie waar Janny deel van uitmaakte. Samen met Bettie was zij verantwoordelijk voor mijn project. Bij het inwerken werd ik knettergek van hen. Bettie en Janny kenden elkaar al jaren en waren behalve professioneel bestuurslid, ook dikke vriendinnen. Mijn inwerkperiode werd gekenschetst door hun dialogen waarin zij continu elkaars naam noemden: “Janny, wat zullen wij doen met de vraag van XYZ?” “Ik weet het niet, Bettie. Maar zeg eens Bettie, is er al iets bekend over ABC?” “Geen idee Janny. Maar hoe zullen we vandaag de werkzaamheden verdelen, Janny?” En dan opeens “Bettie, hoe was je daagje uit gisteren?” “Nou, Janny, wat leuk dat je het vraagt, het was geweldig gezellig.” Enzovoorts enzoverder. De Janny’s en de Betties vlogen mij om de oren. Thuis had ik het alleen nog maar over Bettie, van Janny en Bettie en over Janny, van Bettie en Janny. Pieter werd er ook horendol van.

Janny was oud-verpleegkundige en oud-lerares Duits. Zij was strict en streng en niemand kreeg zomaar een vrijwilliger toegewezen vanwege vermeende eenzaamheid. Bettie was boerin en had 8 kinderen grootgebracht. Haar hart was groot en zij vond iedereen zielig. Samen werkten zij mij in en ik kreeg dus volstrekt tegenstrijdige signalen over het beleid van de organisatie. Dat was verder prima, want zodoende kon ik mijn eigen plan trekken.

De Janny van vanmiddag leek waarschijnlijk alleen maar op de echte Janny omdat zij ook oud-verpleegkundige was. Zonder iemand te willen beledigen, herken je hen uit duizenden. Vastberaden, beetje pinnig, professioneel meelevend. Daarnaast zijn ze vaak ook gezellig, humoristisch en goed vriendinnenmateriaal. Maar dat geldt dan weer niet voor Janny.